Vanmorgen werd ik wakker met zo’n zeurig gevoel in me. Ik hoef nooit na te denken wat ik op een dag moet doen, of wat er op een programma staat. Het zit in mijn hoofd, en ik stap meestal geheel voorgeprogrammeerd mijn bed uit. Vanmorgen had ik niet zo’n zin in de dag.

Er zou een verklaring voorgelezen worden in de kerk. Een verklaring waarin onze namen niet genoemd werden, maar die wel over ons ging. Er stond in dat de kerkenraad ons nu op dit moment niet kan en wil ondersteunen bij ons werk bij Hiernaast, waar wij wel om gevraagd hadden. De gemeente werd opgeroepen tot gebed.
Dat kwam zo: al een tijd zijn wij op zondag meestal niet in onze ‘eigen’ gemeente te vinden, maar bij Hiernaast. We houden daar op zondag een brunch, zo proberen we iets van Gods liefde en grootheid te laten zien. Dat doen we door er te zijn, door een Bijbelverhaal te vertellen, door een werkvorm te doen. We voelen dit als onze roeping. We voelen ons gezegend door wat er gebeurt tijdens die brunches. Hiernaast bestaat al een jaar of drie. Vanaf het begin hebben we geprobeerd te overleggen met de kerkenraad van onze gemeente. Lange tijd was er onduidelijkheid. Was onze vraag niet helder?

We hebben om steun en ondersteuning gevraagd van kerkenraad en gemeenteleden. Dat lag moeilijk, op de een of andere manier. Gesprekken werden met ons gevoerd en af en toe ook over ons. Er is verschil in inzicht op een aantal punten. We komen er met z’n allen niet uit, helaas.
Daarom besloot de kerkenraad een verklaring voor te lezen om soort duidelijkheid te creëren,  en in een kerkdienst voor dit hele gebeuren te bidden. Dat was dus deze ochtend. Wij waren er niet, want we zaten aan de brunch. Er is gebeden. Er werd opgeroepen tot gebed.

Dat bidden gebeurde vanmiddag. Een aantal lieve vrienden kwam bijeen, met hen hebben we gebeden en gedankt voor Gods grootheid, voor zijn werk, voor zijn liefde, voor de gemeente, voor de kerkenraad, voor ons. Het was goed!